The Book of women [with Irini]
✕The Book of women [with Irini]
✕![The Book of women [with Irini]](/api/strapi/uploads/irini_a2c744d2dd.png)
THE BOOK OF WOMEN
Twee afbeeldingen liggen aan de basis van het idee voor The Book of Women. Op de eerste afbeelding zien we de Maagd Maria die de duivel een vuistslag in het gezicht verkoopt. Het gaat om een met karikaturale precisie getekende miniatuur in De Brailes Hours, een getijdenboek uit de 13e eeuw. De tweede afbeelding stelt de hindoegodin Durga voor, met vlammende ogen en wapens in haar handen om de wereld te verlossen van het kwaad dat wordt beschreven in het Sanskriet epos de Mahābhārata.
Met deze beelden van ontzagwekkende vrouwen uit het middeleeuwse christendom en de Indische mythologie als leidraad gingen Ictus en het vocaal ensemble Irini aan de slag. Het resultaat: aan Maria gewijde liederen uit de 13e en 15e eeuw in combinatie met een nieuwe compositie van Riccardo Nova met de Mahābhārata als thema.
In dit speculatieve overgangsgebied tussen culturen en tijdperken wordt aan de hand van lichaamspercussie een lofzang gebracht voor Maria. De fijnzinnige toonzetting van de stemmen uit de oude muziek en de intonatie van de Carnatische Indische zang vervlechten zich op het cyclische ritme van mantra’s, terwijl de hedendaagse geluidsconstructies qua ritmische en harmonische complexiteit wedijveren met de ars subtilior motetten.
KEIZERIN VAN DE HEL
In de hoofse poëzie wordt de maagd Maria aanbeden als Koningin van de Hemel, als vruchtbaarheidssymbool dat refereert naar heidense rites, maar ook – en dat zijn we vandaag vrijwel volledig uit het oog verloren – als Keizerin van de Hel, die vervuld van medelijden de meest onvergeeflijke zondaars van de eeuwige verdoemenis kan redden. Hoewel Maria volgens de theologische leer haar verlossingen alleen op voorspraak van Christus tot stand brengt, doen tussen de 13e en 15e eeuw in Europa talloze mirakelverhalen de ronde, waarin Maria wordt afgeschilderd als een zelfbeschikkende, almachtige toverheks, die de scepter zwaait over engelen en demonen. In tegenstelling tot de klassieke voorstelling van een ingetogen Madonna zien we hier het beeld van een vrouw die met hand en tand haar gezag laat gelden binnen een middeleeuwse christelijke cultuur die er nochtans om bekendstaat vrouwen het zwijgen op te leggen.
Net dit miskende beeld van de vrouwelijke autoriteit wil Lila Hajosi, directrice van het ensemble Irini, reconstrueren in haar eerste project met Ictus. Ze verdiepte zich daartoe onder meer in de Cantigas de Santa María, die in de tweede helft van de 13e eeuw werden gecomponeerd aan het hof van koning Alfons X van Castilië. Dit is een van de grootste compilaties van mirakelverhalen van Maria, die vrijwel zonder uitzondering als ballades op muziek zijn gezet. De teksten zijn aangepast aan bekende seculiere melodieën en beschrijven op een opmerkelijk levendige manier de tussenkomst van Maria bij de verlossing van zondaars als Theophilus of van gevallen nonnen. Deze getuigenissen zetten de alledaagse realiteit van haar goddelijke macht in de verf.
HET VLEESGEWORDEN WOORD
Door het almaar toenemende aantal liturgieën, feestdagen, misvieringen en gebeden groeide de Mariaverering rond 1200 uit tot een vaste waarde in het dagelijkse bestaan binnen de rooms-christelijke wereld. Het zal wellicht voor een van deze mariale vieringen zijn geweest dat Perotinus, de befaamde muziekvernieuwer van de Notre-Dame-kathedraal van Parijs, zijn eenstemmige conductus Beata Viscera schreef.
De Latijnse gedichten op rijm van Filip de Kanselier verheerlijken de bovennatuurlijke ontvangenis van Christus in Maria, die door het woord van God werd bevrucht en als maagd zijn zoon heeft gebaard. De expliciete verwijzing naar het vlees van Maria in de eerste versregel – beata viscera betekent ‘gezegende schoot’ – klinkt intrigerend tegen de achtergrond van de middeleeuwse kerk die het zinnenprikkelende vrouwenlichaam loochende. Hajosi en de zangeressen van Irini lieten zich inspireren door de ‘schoot’ van het conductus van Perotinus om dit middeleeuwse ascetische ideaal op zijn kop te zetten.
Ze vertolken het lied met lichaamspercussie waarbij ze de creatieve kracht van hun lichaam laten spreken en eerder het beeld oproepen van een groep uitzinnige Bacchanten dan het vertrouwde plaatje van een maagd die “niets anders is dan oren, met slechts een beetje mond, ogen en net zoveel handen en benen als nodig zijn om de hand te reiken en haar te volgen”, zoals de feministische intellectueel Luce Irigaray het formuleert. Irigaray geeft effectief ook aan dat Gods vleeswording via Maria kan worden geïnterpreteerd als de ultieme uiting van artistieke creativiteit:
“Wat betekent de uitdrukking vleesgeworden? Welke uitleg kunnen we geven aan al die kunstwerken die de aanzet hebben gegeven voor deze profetie? Welke dynamiek heeft hen de kracht gegeven om doorheen de eeuwen te wortelen en te ontluiken als oorden waar het goddelijke huist en ademt? Zit hierachter dan niet het verlangen en het delen van het vlees? Wordt hier niet gezongen? Geschilderd? Gebeeldhouwd? Gesproken?”
Een blik op het muzikale leven van de middeleeuwse pelgrims laat zien dat lichamelijkheid wel degelijk aanwezig was in de religieuze Mariaverering. Het Llibre Vermell van Montserrat (1399) gunt ons een inzicht in het klanklandschap van het Mariaheiligdom in het klooster van Montserrat, een belangrijk 11e-eeuws pelgrimsoord in de bergen nabij Barcelona. De Heilige Maagd wordt er nog steeds aanbeden als bron van vruchtbaarheid en vreugde. Het Llibre Vermell bevat tien liederen die geschreven zijn voor gebruik in het heiligdom. Sommige van die composities, zoals ‘Cuncti simus concanentes’ hebben een verleidelijk, dansbaar kantje.
Een kleine aantekening bij de werken in het manuscript laat uitschijnen dat de sfeer onder de bezoekers van het heiligdom behoorlijk uitbundig moet zijn geweest: “Pelgrims die willen zingen en dansen, moeten zich beperken tot kuise en vrome gezangen. Daarom staan er hier enkele neergeschreven.” Wij kunnen ons maar al te goed inbeelden hoe het eraan toeging voordat deze vrome liederen werden opgelegd!
GODINNEN, MANTRA’S EN GETALLEN
Het beeld van een almachtige Maria die zondaars verlost, zonder Christus aan haar zijde, was geen evidentie in de christelijke traditie. Hoewel haar heerschappij over de hel gegrond was op haar ontzagwekkende puurheid, volledig gevrijwaard van zonden, vond het concilie van de katholieke kerk Maria’s autonoom handelen als keizerin van de hel zo stuitend dat het uiteindelijk een verbod op deze beeldtaal uitvaardigde. In de Indiase mythologie daarentegen zijn krachtige krijgsgodinnen alomtegenwoordig. En trouwens veel minder sereen ... Terwijl Maria ingetogen blijft glimlachen, ook wanneer ze de duivel slaat, zijn Durga en Kali getooid met slingers van bloederige schedels, gewapend met een zwaard en schild, en afgebeeld met ‘rookkleurige ogen’. Zowel de destructieve als de beschermende kant van de vrouwelijke godheid speelt een belangrijke rol in de Mahābhārata. Dit gigantische Sanskriet epos van om en bij de 100.000 verzen beweert alles te omvatten wat bestaat en wordt beschouwd als een van de invloedrijkste bronnen van het religieus en sociaal denken in Zuid-Azië. Het werd ergens tussen 400 voor en 400 na Christus geschreven en bouwt voort op vroegere mondelinge overleveringen. De Mahābhārata is alomtegenwoordig in de Zuid-Aziatische kunstuitingen, als onderwerp voor dans, zang, romans en tv-programma’s. In modern India staan de vrouwelijke personages voor populaire symbolen van vrouwenemancipatie en speerpunten voor feministische bewerkingen.
Geboeid door de ‘klank van de taal’ in de voordracht van de Sanskriet verzen uit de Mahābhārata, verwerkt de Italiaanse componist Riccardo Nova sinds 2014 fragmenten van het niet-lineaire, zelfs labyrinthische verhaal in zijn eigen cyclische, microtonale klankuniversum. Hij doet dit in samenwerking met Varijashree Venugopal, een zangeres met expertise in Carnatische ofwel Zuid-Indiase klassieke muziek, waarin Nova zich al sinds de jaren 90 verdiept. De laatste tijd grijpt hij in zijn hybride muziektaal terug naar de middeleeuwse polyfonie, die prachtig resoneert met de Marialiederen in dit project.
Centraal in de verhalenstroom van de Mahābhārata staat het relaas van een gewelddadige oorlog tussen twee groepen neven, de vijf goddelijke broers bekend als de Pāṇḍava’s en de honderd kwaadaardige Kaurava’s. De goddelijke broers zullen uiteindelijk zegevieren, maar de oorlog brengt de twee legers en de hele wereld aan de rand van de afgrond. Riccardo Nova’s nieuwste werk voor Ictus, Venugopal en Irini zoomt in op het 11e van de 18 boeken van het epos, het ‘Boek van de vrouwen’ waarin zussen, echtgenotes en moeders rouwen om de gedode krijgers en hun beklag doen over de oorlog. Net zoals de Pāṇḍavas doen in hun zoektocht naar de overwinning, begint Nova zijn werk met een mantra om de krijgsgodin Durga aan te roepen. Hij koos voor de Ekā, een traditionele Vedische mantra, die hoofdzakelijk uit een reeks getallen bestaat die de verschillende krachten symboliseren die aan de godheid worden gevraagd. De strakke metrische structuur van de mantra, die slechts op een paar noten wordt gereciteerd, krijgt versterking van een energieke lichaamspercussie, waardoor de klankrijke aanroeping van de godin doet denken aan de ‘vleselijke’ Beata Viscera van Perotinus.
Nova componeerde ook een nieuwe mantra voor Kunti, de moeder van de Pāṇḍava’s die samen met de vrouwen in het 11e boek haar leed klaagt. Met de hulp van een krachtige mantra kreeg Kunti vijf zonen bij verschillende godheden, en dit terwijl haar echtgenoot impotent was. Net als bij de maagdelijke geboorte uit Maria, is het woord ook hier vlees geworden. De componist voorziet de mantra van Kunti, die sober wordt beschreven in de Mahābhārata, van een klankcorpus. Hij zet de gangbare eenstemmige zang bij het chanten van mantra’s om in microtonale polyfonie voor zeven stemmen, waardoor ontelbaar veel complexe harmonische kleuren ontstaan, stuk voor stuk afgeleid van die magische getallenreeks in de Ekā-mantra.
Nova’s werkwijze doet denken aan het complexe wiskundige schema van de compositie, dat typerend is voor de ars subtilior stijl van het Manuscript van Cyprus (Codex Turijn J.II.9), een andere schatkamer van Marialiederen die in het kader van dit project onder de loep worden genomen. Deze zelden uitgevoerde verzameling van vroeg 15e-eeuwse werken bedoeld voor het Franse hof – dat sinds de kruistochten de scepter zwaaide in Cyprus – bevat een aantal van de meest doorgedreven complexe muziekuitingen van de Mariacultus. In deze isoritmische motetten, die nagenoeg de hele litanie van idealen verheerlijken die aan haar worden toegeschreven – van haar schoonheid die wordt bewierookt in de hoofse liefdespoëzie, haar ‘niet in woorden uit te drukken deugdzaamheid’ en ‘zee van genade’ tot haar moederliefde – overlappen allerlei ritmes en teksten elkaar in een compacte, metrisch en symbolisch geordende constellatie, bedoeld om te worden ontcijferd door goddelijke oren.
Tekst: Anna Vermeulen
Vertaling uit het Engels: IsoTranslation
GALLERY










