Chiffres (2001)
✕Chiffres (2001)
✕
Martin Kaltenecker : Wolfgang Rihm, Combat entre la rupture et l’arche
**Ictus Brochure, 2000-2001
geschreven voor het programma van het Festival d’Automne de Paris, 1999**
(...)
Een echte nieuwe tonaliteit zou pas te componeren zijn als het verpletterende primaat van tonale historische werken (of hedendaagse werkjes) niet zou bestaan, "en wanneer in onze perceptie tussen consonanten en dissonanten een gelijkwaardigheid zou ontstaan, die de componist zou toelaten vrij gebruik te maken van de twee.
(W. Rihm)
Hoewel we daar nog niet aan toe zijn (een tonale overgang in een hedendaags werk valt bijzonder op en verstoort het evenwicht) is het precies dat wat Rihm tracht te bereiken: doen _alsof _het werk de meest verscheiden harmonische zones moeiteloos kan doorkruisen, en door zijn innerlijke kracht de historische connotaties kan bestrijden en ze opheffen. Zo is er, zowel binnen een afzonderlijk werk als op het niveau van zijn hele werk, altijd weer een tonale pool te vinden - het maniakaal indringend scanderende van het akkoord in es dur op het einde van het _Klavierstück VII _of de post-romantische stijl (tussen Mahler, Schrecker en Karl Amadeus Hartmann) van het recente _Vers une symphonie-fleuve _(1998), een pool die ook aanwezig is in de vorm van citaten (Beethoven in het _3de Kwartet) _waaraan de altijd opgejaagde muziek van Rihm zich laaft als aan een bron. Aan het andere uiterste zijn schrille en agressieve klanken te vinden (Sub-Kontur), soms bruïtistisch, zoals in het korte contrapunt van verfrommeld papier in het _8ste Kwartet _of de eigenaardig getransformeerde orkestklanken in _Frau/Stimme _(1989).
Wanneer het werk zich in feite alles permitteert, is dat omdat het een oord van totale vrijheid is, doortrokken van contradictorische stromingen, van een voortdurend opnieuw uitvinden dat door geen enkel vooraf opgelegd schema wordt beteugeld: Rihm refereert altijd aan het niet te analyseren opborrelen van het "muzikale proza" van de Schoenberg van de _Erwartung, _en aan de muziek van Debussy, die geslaagde onophoudelijke parthogenese. Dus nooit schetsen, en altijd verscheidene werktafels, met daarop meerdere in uitvoering zijnde opengeslagen partituren, vergaarbakken van een vrijwel ononderbroken stroom van muzikale ideeën. "De muziek is een flux van tekens geplaatst in de tijd", schrijft Rihm. "Ik zoek in muziek niet zozeer een logische verbinding dan wel een vibratie tussen de tekens (geïsoleerde tekens en niet vooraf gekozen omwille van die vibratie en die verbinding). Door de muziek uit te vinden, moet ik me daar ophouden waar de muziek opwelt (met mijn schriftuur, mijn notatie, mijn sensorische antennes, mijn lichaam). Dus geen steigers, geen plan, geen structurele spelletjes."
(...) De vorm bij Rihm is dan datgene wat dreigt niet te ontstaan, en de muziek datgene wat elk moment onderbroken kan worden. De hele kwestie van het componeren, zegt hij, is te weten hoe de volgende maat te schrijven, het volgende gebaar: de vorm klampt zich vast tussen deze twee extremen, de spanningsboog en dat wat hem breekt. "In de muziek voltrekt zich deze strijd tussen de spanningsboog en de breuk op een met geen enkele andere kunst vergelijkbare manier. Dit kan in een evenwicht resulteren. Het is moeilijk te begrijpen, want op het vlak van de muziek, is het materiaal onzichtbaar. In de architectuur denkt iedereen dat er sprake is van evenwicht als de boog niet doorbreekt. Maar het gaat daar om een eenvoudig statisch effect; het muzikale materiaal daarentegen vibreert als een hypnotisch oog. Op het einde van het werk moet dit oog, de ogen van het stuk, of beter gezegd, zijn fysionomie, door zijn aura heen schitteren."
Een dergelijke instinctmatige, niet gestructureerde vorm is dan in een staat van latente onvoltooidheid. Rihm herwerkt inderdaad vaak zijn stukken, alsof die stromingen van een half uur slechts de scherven waren van een nieuwe mozaïek.
(...) Men zou dus kunnen zeggen dat de componist rond zijn werken draait, dat hij zich beweegt als in een massief, een landschap gevormd door een opeenstapeling van aardschollen. Zijn stijl zelf heeft iets mineraals, en hoewel er gewezen kan worden op een vormverwantschap met het late werk van Nono - dit eeuwige _caminar, _waarin de weg belangrijker is dan datgene wat men van de reis meebrengt - toch reflecteren bij Rihm de muzikale gebaren nooit _zelf _de besluiteloosheid van het algemene gebaar: ze zijn integendeel als micro-vormen, brokstukken of stollingen die "een vibratie poneren", maar die het spoor van de oude expressionistische retoriek omsluiten. Het discours van Rihm krioelt van overrompelende hyperbolen, van gedempte kreten - mineralen of gesteenten alsruwe brokstukken uit de oogverblindende vuurgloed van een kolkende vulkaan - die "welbespraakte beknoptheid", zoals Josef Hausler, een van zijn leerlingen, het zo treffend uitdrukte.
GALLERY
